Scouting Bennekom

Sint Joris verhalen

versie 1
Het was een paar honderd jaar geleden in een dorpje in de bergen. Het dorp leek erg veel op Naaldwijk. In het midden van het dorp was een plein met een kerk. Rondom de kerk waren nog een paar zeer oude huizen. Aan de andere kant van het plein liggen kleine winkeltjes. Vroeger was er geen Jamin en Speelboom, of hoe die toko nu mag heten. In het dorp ging het er alijd gezellig aan toe. Er was iedere week markt, het draaiorgel (waar toen nog echt met de hand aan gedraaid werd) speelde z’n liedjes.

Elk jaargetij was er wel wat te beleven: in de zomer was er altijd kermis en kraampjes, in de herfst gingen de mensen naar het nabij gelegen bos. In de winter lag er altijd een pak sneeuw en in het voorjaar kwam de natuur terug met de corkussen en narcissen. Iedereen was welkom in het dorp. De dorpspoorten stonden open voor een ieder die langs wilde komen. De schapen van boer Witterdewit graasden van het begin van het voorjaar tot het einde van de herfst. In de winter waren de beesten in de schaapskooi, dat aan de rand van het dorp lag. De schapen werden geschoren en daarvan werden sokken gebreid. Maar ieder voorjaar gebeurde toch iets eigenaardigs. De deuren van de dorpspoort waren gesloten. Er kwamen mensen aan de dorpspoort die wilden winkelen in het dorpje, maar niemand deed de deur open. De altijd openstaande deur was gesloten! Na een paar dagen ging de poort weer open en alles was weer koek en ei.

Iets anders wat ook erg vreemd was, is dat vlak voordat de deur gesloten werd, de 10 oudste schapen van boer Witterdewit alvast naar de wei gebracht werden. De boer bracht ze daar naar toe en ging terug naar het dorp. Nadat de boer terug was, werd de deur gesloten… In het dorp heerste altijd onrust in de dagen dat de deur gesloten was. Er was geen markt, er werd niet op straat gespeeld, er was geen mens op straat. Het dorp lag er verlaten bij. Iedereen zat thuis. De enige die zich op straat waagde was de dorpsgek. “Wie wil er verstoppertje spelen schreeuwde hij” “Ik ga me verstoppen en jullie gaan me zoeken!”, en hij rende over het plein. Nadat hij 10 minuten niets gehoord had, kwam hij uit de regenton te voorschijn en vroeg zich af of iemand wel gezocht had.

Vreemde dagen daar. Na een paar dagen kwam de poortwachter uit z’n huis en maakt de poort weer open. Hij waarschuwde de boer en die ging naar de wei toe. Als hij terug kwam met een stukje schapenvacht, werd de deur weer snel gesloten. Maar als hij met niets terug kwam, kwam iedereen als een bevrijd mens z’n huis uit en werd er feest gevierd. Een vreemde zaak…

De kinderen in het dorp vroegen aan hun ouders wat er aan de hand was. Meestal vertelden de ouders het verhaal liever niet, want ze waren bang. Bang dat hun kinderen bang zouden worden. Maar als de kinderen 18 jaar waren, vertelden de ouders het verhaal. Toen de zoon van de slager 18 jaar was, vertelde z’n vader het verhaal. “Diep, diep in de bergen woont een draak. Deze draak houdt altijd een winterslaap. Als hij wakker wordt, heeft de draak altijd honger. Hij komt dan naar het dorp toe.” “Ja maar”, zij de slagerszoon, “ik heb hem nog nooit gezien!”

Er volgde een zeer hete zomer. De terrassen zaten iedere dag vol en er werd veel plezier gemaakt. Alleen 1 persoon was niet zo blij: boer Witterdewit. Boer witterdewit ging naar de burgemeester. “Burgemeester”, zei hij, “er is een probleem. Ik heb nog maar 9 schapen”. De burgemeester schrok en hij riep zijn wijste mannen en vrouwen bij elkaar. Hij legde het probleem voor. De burgemeester stelde voor om 8 schapen op de wei te zetten. De ene die overbleef moest maar zorgen voor het nageslacht. De draak zal wel niet zo wakker zijn. De boer deed wat de burgemeester gezegd had, en plaatste 8 schapen op het veld. De deur werd gesloten en na een dag of 8 waren alle 8 de schapen weg. De draak was er in getrapt.

In de zomer daarna werden geen nieuwe schapen geboren. De koningin van het land kwam een kijkje nemen. Zij constateerde dat dit dorp een groot probleem had en zij ging actie ondernemen. Zij liet een bevel uitgaan: “Degene die de draak dood, mag mijn dochter trouwen”. Nu moet je weten dat de dochter van de koningin nogal mooi was en erg knap en lief enzo. Alle mannen van het dorp kwamen bijeen en er werd gesproken. Over de dochter van de koningin en de draak. De koningin ging verder: “De dappere krijger krijgt het beste paard, zwaard, schild en harnas.”

Na een minuut of 10 stond er iemand op. De zoon van de molenaar, Joris. Hij liep naar voren en zei tegen de koningin: “Ik zal de draak verslaan en roosteren” De molenaar was erg trots op zijn zoon. Toen het winter geworden was, was er een feest voordat Joris het gebergte in ging. De koningin was ook aanwezig en haar knechten hadden de beloofde spullen meegebracht: harnas, schild, zwaard en het paard. Het feest werd gevierd en de dag daarna verliet Joris het dorp…

De dorpspoortwachter zette de dorpspoort op een kier en er kwamen rustige dagen voor het dorp. Op straat werd er gepraat over de dappere Joris en over zijn lot. De dominee van het dorp hield een preek in de kerk aan het dorpsplein. “Broeders en zusters”, sprak hij, “Ons dorp is in het bezit van een aanvechter van het kwaad. De draak is het kwade wat altijd en overal aanwezig is. Het aandeel van het kwaad is soms erg klein, maar vaak te groot. Ons grootste kwaad is de draak. Fors en gevaarlijk. Onze Joris heeft zich geweerd of gaat zich weren tegen het kwaad. Het gevecht tussen kwaad en liefde is misschien nog niet begonnen, bezig of al beslist. Laten we bidden en danken voor Joris, die het kwaad zal veroordelen en Joris zal gesterkt worden.” Het hele dorp was aanwezig tijdens die dienst en geloofde in de kracht van Joris. Op de derde dag dat Joris weg was, ging de poortwachter een kijkje nemen bij de wei waar de schapen anders geplaatst zouden worden. Hij keek in de verte, maar zag nog niets. De volgende dag ging hij nog een keer kijken en zag in de verte een schim.De schim kwam steeds dichterbij en zou Joris kunnen zijn. Of niet natuurlijk. En nadat de poortwachter een uur gewacht had, wist hij het zeker: Het was Joris!! Hij rende het dorp in, riep iedereen bij elkaar en liet een ontvangstcomite aanstellen. Het dorp veranderde van een sombere bedoeling in een ongeordenende bende, die iets probeerde te organiseren.

De poortwachter ging weer terug en nadat hij een half uur gewacht had, stond Joris voor zijn neus. Met bloed aan zijn schild en een stuk draak aan het zwaard. De poortwachter feliciteerde hem en leidde hem naar het dorp. De koningin stond al te wachten en ook de beeldschone, knappe, lieve prinses was er. Het feest kon beginnen!! Een jaar later trouwde Joris met de dochter van de koningin.

versie 2
Lang, lang geleden gebeurde er elk jaar iets vreselijks in een land hier ver vandaan. In het land waar dit verhaal over gaat, leefde een hele enge draak. Een draak met wel vier koppen en een vreselijke adem… Deze draak wilde elk jaar een mooi jong meisje om haar lekker op te peuzelen. Elk jaar weer ging er een golf van schrik door het land als de draak een jong meisje kwam halen… Wie zou er dit jaar aan de beurt zijn? Ook nu kwam de draak weer te voorschijn en eiste een mooi, jong meisje. De koning verrichte elk jaar een loting om uit te maken welk meisje aan de draak gegeven moest worden. Ook dit jaar gebeurde dat weer… Op een vol plein bij het kasteel trok de koning het lot.

Hij schrok zich een hoedje, want op het lot stond de naam van zijn dochter, de prinses. Wat nu? Hij kon geen nieuw lot pakken, want het volk stond toe te kijken. Dan moest hij zijn dochter cadeau doen aan de draak. Wat vreselijk! Hoe legde hij dat thuis uit aan de koningin? “Wat?” riep de koningin verschrikt. “Wil jij onze dochter aan de draak geven? Daar komt niets van in!” En daar was de koning al bang voor. Al ijsberend door het kasteel bedacht hij iets. “Ik zal alle ridders de uitdaging geven de draak te doden” sprak de koning. “Als beloning mag de ridder die de draak doodt met onze dochter trouwen.” En zo gezegd, zo gedaan. Een heraut ging het land door op zoek naar koene ridders, die de draak wel wilden doden. Geen enkele ridder wilde de draak doden. “Nee hoor, mij niet gezien”, “ik heb wel wat anders te doen”, “Je denkt toch niet dat ik mij aan die draak waag?” zei de ene ridder na de andere tegen de heraut van de koning.

Er was één man in het land die de draak wel wilde doden, maar hij was maar een gewone schildknaap en geen ridder. Die man heette Joris. Joris meldde zich toch maar bij de heraut. “Ik wil die draak wel doden!” zei Joris tegen de heraut. De heraut ging terug naar de koning en vertelde hem wat Joris had gezegd. De koning ging acoord en al snel ging het in het hele land rond, dat Joris zijn leven ging wagen voor de dochter van de koning en al die mooie jonge meisjes, die de draak de jaren erna nog zou opeisen. Joris had nog één probleem: omdat hij geen ridder was, had hij helemaal geen ridderuitrusting. Hij had geen zwaard, geen schild, zelfs geen paard. De koning leende hem zijn spullen uit en Joris vertrok, onder raadgevingen van de koning en luid applaus van de mensen uit het land, op weg naar de draak.

Joris dwaalde op het paard van de koning rond op zoek naar de draak. Opeens stopte het paard met lopen en Joris zat ineens stokstijf stil. In de verte hoorde Joris de draak brullen en grommen: ‘Waaaaauuuuw!’ Joris was een stoere held, maar werd nu toch wel bang, toch dacht hij er niet over om nu terug te keren naar de koning en te melden dat hij niet durfde. Nee, dat zou te gemakkelijk zijn. Joris gaf zijn paard de sporen en het galoppeerde in de richting waar het geluid vandaan kwam. Plotseling stopte het paard, Joris keek tegen het grote, lompe lichaam van de draak aan. De draak spuwde vuur en probeerde Joris van zijn paard te stootten. Joris pakte zijn zwaard stevig in de hand en zwaaide er driftig mee rond. Een hevige strijd ontbrandde. Zowel Joris als de draak leverden een zware strijd. Joris liep verwondingen op, maar vocht dapper door, daardoor raakte de draak op een gegeven moment ook gewond. Joris vocht voor zijn leven en voor het paard van de koning.

Na een paar uur strijd bracht Joris de draak de genadeklap toe en de draak viel kreunend en steunend dood neer. Joris had gewonnen. De koning had als eis gesteld dat Joris één van de hoofden van de draak zou meenemen als bewijs dat de draak echt dood was. Joris’ zwaard doorkliefde het hoofd van de draak, Joris nam het mee naar de koning.

Toen de mensen in de stad Joris aan zagen komen, ging een luid gejuich op. ‘Lang leve Joris” riepen de mensen. De koning kwam zijn paleis uitrennen, gevolgd door de koningin en de prinses. Joris gaf het hoofd van de draak aan de koning. “Gefeliciteerd!” zei de koning, “jij bent een echte held! Nu mag je met mijn dochter trouwen en ben je voortaan een echte ridder.” De koning sloeg Joris tot ridder en vanaf toen heette Joris Sint Joris. Hij trouwde niet met de dochter van de koning, want hij was teveel gehecht aan zijn vrijheid. Maar hij leefde nog wel heel lang en gelukkig…!